Techniek

Techniek 

Basistechniek

Basishouding

Voetenstand en beenhouding











Plaats de voeten dicht bij elkaar met de voet=schrijfhand in de werp- richting

 

 

Als je rechtop staand werpt is het belangrijk de benen iets te plooien zodat de nodige spieren actief zijn. De kans is immers groot dat je de gewrichten en de kniebanden zwaar belast worden indien je een te rechte pose aanhoudt. Gevolg: blessures zullen niet uitblijven.









Gehurkt werpen vraagt dan weer om het balanceren op de ballen van de voeten.

Laat het achterwerk op de hielen rusten. Zo neemt je lichaam van zichzelf een rechte houding aan. Rust het lichaam niet op de enkel- en kniegewrichten, dan zijn de bovenbenen gespannen staan waardoor je in een heel wankele positie zal terechtkomen. De spieren zullen gaan trillen doordat zij constant te gespannen staan. Dit kan niet bevorderlijk zijn voor de worp( tenzij puur toevallig).

In het algemeen komen de volgende fouten komen het meest voor:

  • Te frontale stand
  • Voeten te ver uit elkaar
  • Verkeerde voet naar buiten wijzend
  • Op de tenen staan
  • Één voet half op de grond (bij staandspelen)
  • Één voet geheel plat op de grond (bij zittend spelen) het gevolg is een stugge worp uit de arm en een klein beetje uit de romp.
  • De beweging is niet harmonisch

De armzwaai, eventueel ondersteund door de benen moet voldoende mogelijkheden bieden voor een goede uitvoering van deze techniek. Wanneer men toch geneigd is ver voorover te buigen, dan is dit dikwijls het gevolg van het ontbreken van voldoende kracht. De armzwaai is dan mogelijk te kort en/of er ontbreekt een harmonische beweging.

De kracht die in feite moet komen uit de armzwaai, eventueel ondersteund door de benen probeert men dan te compenseren door gebruik te maken van de rug. Onnodig om te zeggen dat dit gewoon slecht is voor het gehele lichaam. Het resultaat is vaak een stugge ongecontroleerde worp.




















Voor- en achterzwaai van de werparm

  • Bij het plaatsen van een boule zowel staand als gehurkt is de armzwaai het allerbelangrijkste.
  • We maken bij de armzwaai onderscheid in een achter- en een voorzwaai.
  • De achterzwaai moet zo ruim mogelijk zijn (per speler is dit verschillend).
  • Wanneer de achterzwaai onvoldoende is, dan zal ter compensatie vaak op kracht worden gegooid, hetgeen zal leiden tot onnodige afwijkingen en op de langere termijn mogelijk zelfs tot spierblessures.
  • De voorzwaai moet geheel worden voltooid omdat de boule anders door de hand wordt geremd en de worp onzuiver wordt.
  • De duim komt bij deze voorzwaai vlak langs de broek dicht bij de knie, die dus in feite richting geeft aan de worp.
  • De uitzwaai brengt de arm tot voorbij de horizontale lijn.
  • Na het loslaten van de boule wijst de hand de boule na.
  • De handpalm is parallel aan de baan van de bal.

Het voltooien van deze pendelbeweging zonder een abrupte stop en souplesse zijn dus essentieel voor een goed resultaat.









Wat moet je dus doen?

  • De voorbereiding
  • Het draaien van de pols halverwege het naar achteren gaan
  • De arm gaat voorbij de lichaamsas
  • Halverwege het naar voren gaan
  • Het loslaten.







Balansarm

Om het lichaam goed in evenwicht te houden moet de andere arm, de zogenaamde balansarm deel uitmaken van deze beweging.

In de achterzwaai moet de balansarm gelijktijdig met de werparm deze achterwaartse beweging volgen. Het vervolg van deze beweging wordt door een reflexmatige beweging van het lichaam aangegeven.

Gebruik deze arm voor het evenwicht, eventueel als men dit prettig vindt met één boule in de andere hand.

Laat deze arm in ieder geval niet stijf langs het lichaam hangen.

Balvoering

Pétanque is een techniek-sport waarbij het gevoel voor precisie en het gevoelsmatig aspect bij elke worp belangrijk is.

  • De boule moet losjes in de hand liggen
  • De boule wordt al liggend in de handpalm door de vingers circa voor de helft omsloten.
  • Niet knijpen in de boule.
  • De duim treedt enkel begeleidend op en oefent geen druk uit op de boule. Bij voorkeur de duim laten rusten op het tweede kootje van de wijsvinger.
  • De vingers zijn nagenoeg gesloten doch mogen ook iets van elkaar zijn (enkele milimeters).










     

Veel gemaakte fouten zijn:

  • Knijpen in de boule: oorzaak is dikwijs te kleine boules.
  • Geen grip op de boules: oorzaak vaak te grote boules.
  • Afwijkingen bij het gooien vaak het gevolg van de duim die sturend optreedt of ;
  • De boule wordt vastgehouden met het voorste deel van de vingers en de duim
  • Verkeerde handhouding
  • Gewoon te hard knijpen

Werptechnieken

 

Effect
Om een bal met effect te kunnen werpen moet je goed letten op de positie van de Voor rechtshandige geldt:

  • Hand neutraal - bal recht vooruit
  • Naar buiten gedraaid - linksom effect
  • Naar binnen gedraaid - rechtsom effect















Worpen voor pointeurs

Zowel bij het staand als bij het gehurkt plaatsen is de beweging hetzelfde, slechts de houding van de benen is verschillend. De uitgangshouding is als volgt:

  • de voeten staan zoals beschreven bij basistechniek
  • het been aan de kant van de werparm wijst in de richting waarin gespeeld wordt.
  • de knie kan als richtingswijzer worden gezien.
  • de romp is zo recht mogelijk, bij een donnée dicht bij de cirkel is de romp licht gebogen.
  • de balvoering is zoals beschreven bij basistechniek.

Het belangrijkste van de beweging is dat deze harmonisch is. Alle onderdelen dienen goed op elkaar afgestemd te zijn, zodat de worp één vloeiende beweging is.

De achterzwaai moet zo ruim mogelijk zijn. Ook in de voorzwaai (uitzwaai) moet de arm de beweging voltooien. Er mag geen abrupte stop in de beweging zitten.

Deze uitzwaai brengt de arm tot voorbij de horizontale lijn. De romp moet tijdens deze beweging nagenoeg rechtop blijven.

In de voor-/achterzwaai draaien de schouders in, (in de richting van de werparm). Bij een rechtshandige speler zal dus de rechter schouder, in de uitzwaai ten opzichte van de linkerschouder naar voren komen.

Aan het eind van de achterzwaai is de pols naar de binnenkant van de arm gebogen. Tijdens de zwaai corrigeert de balansarm het evenwicht.

Naast de uitgangshouding is ook de keuze van de worp belangrijk, spelen we hoog of spelen we laag of daar tussenin?

Er zijn grofweg drie manieren om te plaatsen.

  1. Rollende bal plaatsen
  2. Halfhoge bal gooien (demi- of halfhoge portée)
  3. Hoge bal gooien (portée-complête of volledige portée)



Rollende bal plaatsen
De bal wordt bij deze worp gehurkt of half voorovergebogen gespeeld.

Bij het rollen raakt de bal binnen een afstand van 2 tot 5 meter van de werpcirkel de grond (op de donnée),

waarna de bal zo dicht mogelijk naar het butje rolt.

Voor deze worp is het belangrijk dat de baan goed bekeken wordt, daar er veel onregelmatigheden op de baan kunnen voorkomen







Halfhoge bal gooien (demi-porté)
Bij de lage gooi wordt de bal met een boog gegooid zodat de bal halverwege de werpcirkel en het butje de grond (op de donnée) raakt. Hoe hoger je de bal gooit, hoe korter de bal zal uitrollen. Het uitrollen wordt ook bepaald door de bodemgesteldheid. Bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrold) belangrijk







Hoge bal gooien (porté)
Bij een hoge gooi wordt de boule zeer hoog in de lucht gegooid zodat de bal bijna verticaal naar beneden valt. De bal raakt de grond (op de donnée) op minder dan 1 meter van het butje. Ook bij deze worp is de mate van tegeneffect (waardoor de bal terug wil rollen of niet doorrold), vooral bij harde ondergrond, belangrijk






 

Worpen voor tireurs

Het schieten, meestal tireren genoemd is ook een basistechniek. Tireren is spectaculair maar vraagt opperste concentratie, vaardigheid en kracht (en ook wel wat geluk). De beste tireurs zijn echter niet diegenen die het hardst gooien. Het doel van tireren is het raken van de goed geplaatste bal van de tegenstander, zodat deze weggespeeld wordt.

De tireerbeweging moet soepel verlopen en het is een samenspel van een aantal factoren zoals lenigheid, coördinatie, behendigheid, kracht en snelheid.

De uitgangshouding komt overeen met die van het staand plaatsen, slechts de romphouding verschilt, deze is iets meer gebogen. Ook de beweging is vrijwel gelijk.

Bij het tireren is nog meer dan bij het plaatsen een harmonische beweging van belang. Een heel geringe afwijking immers leidt al tot een misser, terwijl bij het plaatsen een afwijking van enkele centimeters een goede bal tot gevolg kan hebben.

Naast het schieten van ijzer op ijzer is er ook nog het schieten over de grond. Deze uitvoering is vooral geschikt voor zeer gladde terreinen en kan uitermate effectief zijn. Na een raak schot blijft je eigen bal vaak dicht in de buurt. Er kunnen vaak makkelijk meerdere boules tegelijk worden weggeschoten. Dit laatste voordeel is meteen ook het nadeel, het is een zeer destructieve techniek waarbij een zorgvuldig opgebouwde situatie totaal verstoord kan worden. De kans op klossen (ballen die tegen elkaar aanspringen) is zeer groot. Daarom moet je het zien als een uitbreiding op, en niet als een vervanging van het schieten op ijzer. Je moet het alleen gebruiken als er sprake is van balvoordeel.

Net als bij pointeren zijn er verschillende manieren om te schieten.

  1. Schieten over de grond
    • Slepend schieten
    • Indirect schieten
  2. Schieten op ijzer

Slepend schieten (lang over de grond)
Bij dit schot wordt de bal zo krachtig mogelijk gespeeld, waarbij de boule 3 tot 4 meter voor het doel de grond raakt. Het grote nadeel van dit schot is dat de speelbal alle onregelmatigheden van het terrein tegenkomt, waardoor er minder controle is. Het resultaat is dus zeker niet voorspelbaar







Indirect schieten (kort over de grond)
Een van de meest voorkomende redenen dat tireurs de boule van de tegenstander missen is dat de boule over de tegenstander heen springt (met name bij harde banen). Om dit te voorkomen kan men het beste kort schieten. Laat de boule de grond raken net voor de boule van de tegenstander. De aanvallende boule rolt door en ketst de tegenstander weg. Maar zelfs het kleinste steentje kan er voor zorgen dat het doel gemist wordt.







IJzer op ijzer schieten
Dit is het moeilijkste schot, dat veel nauwkeurigheid vereist. De boule moet de tegenstander raken zonder de grond te raken. Het perfecte schot noemt men een "carreau". Jouw bal blijft op de plaats van de tegenstander liggen. Vaak zijn professionele tireurs zo geoefend dat ze hun eigen bal zelfs nog achteruit kunnen halen nadat ze de tegenstander hebben weggeschoten.

 


Copyright @ All rights reserved